Vorig leven van Lieke, uit de praktijk
reïncarnatietherapie van Marianne Notschaele
Jonkvrouwe in nood © Uitgeverij RHA
Publishing/RHA Reïncarnatietherapie

JONKVROUWE
IN NOOD
Voordat ik startte met mijn praktijk in 1992 had ik voor
mijn opleiding tot reïncarnatietherapeut mensen nodig die proefpersoon wilden
zijn voor sessies. Lieke was in die periode een collega uit mijn vroegere
werkkring, nieuwsgierig genoeg om een en ander te proberen, mede dankzij mijn
enthousiaste verhalen over reïncarnatietherapie en vorige levens.
Echte problemen had Lieke niet, behalve last van
plotselinge niesbuien. Ze was daaraan gewend, kreeg anti-hooikoortspillen van
de huisarts en dat verminderde haar klachten. Ach, die niesbuien, daarvan had
ze maar één maand per jaar extreem veel last. Verder ging alles zijn gangetje.
Ze zat goed in haar vel, had vorige week haar vriend -waarmee ze drie jaar
samen was- aan de kant gezet en was daarover best tevreden. De relatie benauwde
haar, ze waren als goede vrienden uit elkaar gegaan.
Ik wilde meer van Liekes niesbuien weten. Op welke
manier had ze er last van?
‘Als ik moet
niezen, kriebelt het in mijn neus. Net of er van die belletjes inzitten.’ Bij hele erge niesbuien voelde ze zich ronduit beroerd, misselijk en kreeg ze ‘een
wazig hoofd’. Zoals Lieke zei: ‘dan
heb ik geen controle meer over mezelf en
denk ik, straks ga ik van mijn graatje’. Op mijn vraag wat het
ergste kon zijn wat haar kon overkomen, antwoordde ze: ‘Geen controle meer over mezelf hebben, buiten bewustzijn raken en niks
meer weten. Dan leef je niet.’ Na zo’n niesbui voelde ze zich: ‘alsof ze flauw was gevallen’. ‘Mijn onderlichaam is dan helemaal slap, tot
onder aan toe.’
***
In de beginjaren van mijn praktijk maakte ik veel
gebruik van hypnotische inducties om een lichte vorm van trance op te wekken.
Tegenwoordig werk ik op een andere manier met vorige levens (zie huidige werkwijze),
maar toen liet ik Lieke plaatsnemen op
een bank en vroeg haar de ogen te sluiten en zich te concentreren op haar
niesbuien en de gedachten die in haar opkwamen.
Ze werd er zenuwachtig van, kreeg een weeïg gevoel in
haar buik en vond vorige levens opzoeken ineens een stuk minder aantrekkelijk.
Met het meer en meer concentreren op de gedachte: ‘Ik heb geen controle meer over mezelf’ kreeg ze een ‘eng, slap gevoel in haar armen en benen’.
Witjes lag ze op de bank. ‘Er komt niets
bij me op hoor, ik ben helemaal slap.’
Ik liet haar contact maken met de laatste keer dat ze
zo’n gevoel had gehad, in een andere tijd en plaats… en de volgende
gebeurtenissen ontvouwden zich:

Lieke is een jonge vrouw en holt door de gangen van
een koud, middeleeuws kasteel. ‘Ik moet wegrennen, ze komen achter me aan!’ Ze
is een jaar of twintig en rent alsof haar leven ervan af hangt. Ze vlucht uit
het kasteel, de poort door, de brug van de slotgracht over naar een bosrijk
gebied. Ze rent… en rent. Ze is bang, heeft steken in haar borst van het rennen
en haar benen worden zo moe… Uitgeput verstopt ze zich in een greppel. ‘Als ze
me maar niet zien.’ Ze is bang, haar lippen zijn droog, ze hijgt als een
bezetene. Haar benen voelen slap aan
van het rennen. ‘Ik heb geen controle
meer over mezelf’, hijgt ze. Hard rennen is geen dagelijkse bezigheid voor
een jonkvrouwe in nood.

Helaas wordt ze door de achtervolgers (dit blijken
mensen van de kasteelhuishouding te zijn) gevonden en teruggebracht naar het
kasteel.
Daar staat een man haar bulderend van het lachen op te
wachten: haar toekomstige echtgenoot. Het huwelijk is al lang tevoren door
anderen overeengekomen, maar ze mag hem niet. Onder zijn honend gelach sjokt ze
moe en verdrietig richting torenkamer. ‘Ik wil niet met hem trouwen. Ik mag hem
niet, maar ik kan er toch niet onderuit.’
In de torenkamer aangekomen ziet de jonkvrouwe haar
(overigens prachtige) trouwjapon klaarhangen. Dit is teveel van het goede, ze
voelt zich beroerd, er is geen weg
terug. ‘Mijn doodvonnis is getekend.’ De trouwjurk is de laatste druppel. ‘Zo
wil ik niet verder.’
De toekomstige bruid is zo wanhopig bij het
aanschouwen van haar huwelijkskeurslijf, dat ze zich door het kleine
vensterraam van de torenkamer heenwurmt naar buiten. Met een ijselijke gil
stort ze zich naar beneden, richting slotgracht. Eerst raken haar benen het
vieze water, daarna gaat ze kopje onder. ‘Ik kan niet zwemmen!’ Paniek!
Wanhopig probeert ze haar hoofd boven het groene eendekroos te houden. Haar mond en neus prikken. ‘Met van die rare
belletjes.’ Ze niest, proest, hapt naar lucht, zwaait met haar armen tot
haar hoofd zwaar wordt. Het laatste wat ze nog zeker weet voor ze verdrinkt is:
‘zolang ik die belletjes in mijn neus
voel ben ik er nog.’

Elegant stijgt ze op vanuit het vieze groene
slotgrachtwater om haar dode lichaam achter zich te laten. Als ik vraag waar ze
naar toe gaat (hemel, uitrustfase, andere sfeer?) met haar zielsenergie, zegt
ze kordaat: ‘Eerst die akelige vent zeggen wat ik van hem vind!’ (Bij reïncarnatietherapie wordt vaak ‘het
tussenbestaan’ gebruikt, een metafoor voor het gebied tussen twee levens in. In
dit denkbeeldige gebied kunnen onaffe zaken alsnog worden afgerond, er kan
hereniging plaatsvinden tussen mensen die elkaar in het leven ervoor kwijt zijn
geraakt, gesprekken worden gevoerd met mensen uit het voorgaande leven etc.)
In Liekes geval is duidelijk iets nog niet goed
afgerond. Er volgt een kort gesprek tussen beide bijna-echtelieden. Ze legt hem
uit dat ze absoluut niet met hem wilde trouwen. Uit het torenraam springen was
haar enige uitweg, met hem viel in dat leven gewoon niet te praten. Hij
reageert laconiek: ‘Over gearrangeerde huwelijk werd niet gesproken in die
tijd, dat hoorde zo.’
Ze doet alsnog haar geëmancipeerde zegje en de man
belooft tenslotte beterschap voor een volgend leven. Gerustgesteld neemt de
jonkvrouwe afscheid van haar dode lichaam en gaat met haar zielsenergie verder
omhoog, naar een plek waar ze ‘uit kan rusten’. Even bijkomen van de emoties.
Als Lieke weer kleur op haar huidige wangen krijgt,
vallen er voor haar puzzelstukjes op z’n plaats. Zoals over de maand waarin ze
altijd het meest last van haar niesbuien heeft. Het is de maand waarin ze
‘moest trouwen’ in dat vorige leven. Dat ze de afgelopen weken zo veel
niesbuien heeft gehad, snapt ze meteen. Ze heeft haar vriend pas aan de kant
gezet. De reden: hij probeerde steeds fanatieker Lieke over te halen met hem te
trouwen. ‘Ik was daar nog lang niet aan toe, ook al mocht ik hem graag.’
Als ik informeer naar het verband, overeenkomst of
verschillen tussen de kasteelheer en haar ex-vriend, zegt Lieke: ‘Nou, gek
hoor. Wat ik daar niet kon, heb ik nu wel gedaan. We hebben lang gepraat over
waarom ik niet wilde trouwen en waarom ik er nog niet aan toe was.’
Als we een kop thee drinken, giechelt Lieke na. ‘Maf,
net of ik alles echt voelde. Het was of ik bijna echt verdronk. Stom, ik raakte
zo in paniek dat ik dacht dat ik echt niet meer kon zwemmen terwijl ik gewoon
alle zwemdiploma’s heb. En dan die maffe belletjes in mijn neus…’
Het duurde nog een kwartiertje voor het haar werkelijk
duidelijk werd: ‘Tjee, ik hoef dus
helemaal geen belletjes in mijn neus te voelen of te niesen om te weten dat ik
leef!’ Precies. Dat gold voor de jonkvrouwe, maar niet voor Lieke.
Met dank aan
Lieke voor haar bijdrage.
Dit verhaal verscheen in gewijzigde versie in 1993 in
het blad Cyclus.
Marianne Notschaele-den Boer
RHA Publishing
Terug naar beginpagina voor
andere verhalen.
Neem ook eens een kijkje op de website van collega reïncarnatietherapeut/dromenspecialist
Wendy Gillissen
Dit ivm(Keltische/kastelen) vorige levens J
NIEUW: Boek 'DIEHARDS IN DE WAR' - oorlog en
reïncarnatietherapie
NIEUW: Boek 'IK WAS
EENS...' - vorige levens en reïncarnatietherapie
Boek
‘WAAROM ESTHER
GEEN ROBINSON WERD’ - vorige levens en reïncarnatietherapie
____________________________________________________________________________________________
© RHA Publishing, jan 2010