Uit de praktijk reïncarnatietherapie van
Marianne Notschaele © Uitgeverij RHA Reïncarnatietherapie
Reïncarnatie-overpeinzingen – ‘Geloof’,
geschreven door Jacqueline Troost uit Zuid-Afrika © Jacqueline Troost

Onderstaande overpeinzingen van Jacqueline Troost over
reïncarnatie en vorige levens kan ik alleen maar onderschrijven.
GELOOF – een verhaal van Jacqueline Troost ©
Your children
are not your children.They are the sons and daughters of Life’s longing for
itself. They come through you but not from you, and though they are with you
yet they belong not to you.
You may
give them your love but not your thoughts, for they have their own thoughts.
You may
house their bodies but not their souls, for their souls dwell in the house of
tomorrow, which you cannot visit, even in your dreams.
You may
strive to be like them, but seek not to make them like you, for life goes not
backward nor tarries with yesterday.
You are
the bows from which your children as living arrows are sent forth.
The
Archer sees the mark upon the path of the infinite, and He bends you with His
might that His arrows may go swift and far.
Let your
bending in the Archer’s hand be for gladness; for even as He loves the arrow
that flies, so He loves also the bow that is stable.
Kahlil Gibran
In zijn boek ‘De Profeet’ vergelijkt
Kahlil Gibran ouders met de boog waarmee kinderen als pijlen afgeschoten worden
op de toekomst. Het is een metafoor die tot nadenken stemt.
De beweging van schieten houdt al meteen
loslaten in, vasthouden is niet mogelijk. De kinderen hebben een eigen doel, ze
laten de ouders achter zich en ze komen verder dan deze ooit gekomen zijn, al
is het in het slechtste geval alleen in tijd. De ouder is het instrument, dat
de materialisatie van het volgende geslacht mogelijk maakt.
Zoals ik het me van mezelf menigmaal
afvraag, heb ik mijn kinderen ook vaak aangekeken en gedacht: ‘Waarom ben je
gekomen? Waarom bij óns, wat verwacht je bij ons te leren, te verwerken
misschien?’
Want al die genen ten spijt en ondanks al
die overgeërfde trekken, is het toch de ziel die de eigenlijke persoon is, die
tijdelijk in het huis dat lichaam heet is komen wonen. Ik geloof dat die ziel
daar een keuze in heeft, omdat zijn leven elke keer een doel heeft en de naaste
familie, het ras en geslacht, de economische – politieke? - omstandigheden, de
geografische locatie misschien zelfs, daarbij een rol spelen.
We komen hier ieder om bepaalde dingen te
leren, relaties uit te werken, dingen goed te maken misschien die we een vorige
keer verkeerd hebben gedaan.
Daarom geloof ik dat je kinderen en
kleinkinderen geen bezit zijn, geen
mensen waar je je leven lang over kunt beschikken, wier leven je kunt sturen en
beïnvloeden naar het jou goeddunkt.
Hulp en goede raad zijn een ander
hoofdstuk. Waar ik hier over praat is pressie uitoefenen in een bepaalde
richting tegen de wil en inclinatie van de ander in, de gemiste kansen in je
eigen leven projecteren op je kinderen, proberen jouw leven in hen voort te
leven, in plaats van ze de ruimte te geven om hun eigen leven in te richten en
eventueel hun eigen fouten te maken.
Ook met je levensfilosofie is dat zo en
deze stelling gaat lijnrecht in tegen alles wat ik ooit meegekregen heb.
Ik ben calvinistisch-christelijk opgevoed,
in de leer van de uitverkiezing, de onvoorwaardelijke vergeving der zonden, de
lelieën des velds die niet hoeven te zorgen, en de hemel hierna. Dit hield
meteen ook in dat niet-uitverkorenen de hel als bestemming hadden.
Mijn moeder maakte pas als volwassene
kennis met de godsdienst en aanvaardde de gereformeerde leer uit volle
overtuiging en met een jaloersmakende blijmoedigheid. Al dat veilige weten
hielp haar door moeilijke oorlogsjaren en later door een slopende ziekte.
Het was wel een erg exclusief geloof, dat merkte ik al op jonge leeftijd.
Je moest naar een christelijke school, je
mocht niet met katholieke kinderen spelen (later toen er een paar naast ons
woonden opeens weer wel, maar dat was zeker niet zonder burenruzie te vermijden
geweest), iedereen die niet gereformeerd was – of desnoods hervormd, samen
onder de noemer ‘protestant’ – was op weg naar de hel. Wij niet, wij gingen
later ‘eeuwig zingen voor Gods troon’.
In zijn boek ‘The Seville Communion’
noemt de Spaanse schrijver Arturo Pérez-Reverte de kerk – en dat is dan in dit
geval de rooms-katholieke, maar voor de gereformeerden geldt precies hetzelfde
– ‘een instelling waar de regels bijna alle antwoorden verschaffen, zolang je
het basisconcept niet in twijfel trekt’.
Wij gereformeerden kenden Gods wil, wij
wisten hoe het allemaal moest.
Onze interpretatie van de Bijbel en onze
Heidelbergse catechismus waren alleen-zaligmakend, maar toen er tijdens de 2e
wereldoorlog een meningsverschil ontstond over artikel 31, kwam er een
scheuring in de kerk. Opeens was het twijfelachtig of die mensen wel ook naar
de hemel mochten.
Het was me nooit duidelijk wie dat allemaal
zo besloten had, hoe die geweten hadden wat wel en wat niet mocht, want er
waren regels en uitspraken die je in de Bijbel beslist niet tegenkwam.
Wie had ze verteld hoe het hiernamaals in
elkaar zat, waarom was het ‘Gods wil’ als iemand ziek werd of als je
vriendinnetje haar vader verloor? Wie bepaalde er aan welke kant God stond als
twee landen oorlog tegen elkaar voerden?
En vooral die uitverkiezing, hoe kon je
tegen zoiets op? Dan maakte het dus niets uit hoe je leefde, als je eenmaal
uitverkoren was kwam het vanzelf goed. Maar dan ook: als je het niét was, kon
je dus nergens enig goed aan doen, dan hoorde je er immers toch niet bij.
Mijn eigen Opa Straatman, een van de
grootste en meest geliefde figuren uit mijn eerste tien levensjaren, iemand die
zo intelligent, geleerd, beleefd, tactvol en zorgzaam was, maar de godsdienst
als zodanig ten enen male verwierp, was hij dus op weg naar de hel? Als
boeddhist zou hij zeer geslaagd zijn geweest, hij hield zich aan alle regels
van die leer, maar als christen zakte hij voor de exclusieve examens.
Het was tekenend voor de calvinistische
sfeer bij ons thuis, dat zoiets niet bespreekbaar was. Je hoorde het
onvoorwaardelijk met de gereformeerde leer eens te zijn en het was levenslang
voor mijn vader een groot verdriet dat dat in mijn geval niet zo was.
Eerst wel natuurlijk. Een kind gelooft maar
al te makkelijk wat zijn ouders hem vertellen, en als de onderwijzers - die
alwetenden van de eerste schooljaren – het ook nog eens beamen, de dominee in
de kerk vanaf zijn gebeeldhouwde preekstoel met het groenfluwelen kanselkleedje
het uiteindelijk week na week bevestigt, wie twijfelt er dan nog?
Ik dus. Ondanks elke zondag, soms zelfs
twee keer naar de kerk. Ondanks beloften van een hemel en dreigementen met een
hel. Ondanks scholen-met-de-bijbel, en voordrachten bij de jeugdclub en
christelijke meisjesromans, alles waar goedbedoelende ouders hun kinderen mee
in de goede richting proberen te herderen. Schaapjes, mekkerend achter de
belhamel aan, wel makkelijk zo, hoef je niet te denken, ben je voor je leven
verzorgd, kun je later zingen voor Gods troon.
Praten we maar niet van wat er door de
eeuwen heen in de naam van diezelfde God aan onrecht en misdaden begaan is.
Door kerkleiders, die hele volksstammen opzweepten, inquisitie, brandstapels.
Zoals de 18e eeuwse geleerde en politicus Montesquieu het zei: nergens zijn
ooit zóveel burgeroorlogen gevoerd als in het Koninkrijk Gods.
Je leerde op school over de tachtigjarige
oorlog en wat de katholieken gedaan hadden tegen de protestanten. Het moest als
bewijs dienen dat de protestanten en uiteindelijk hun elite, de gereformeerden,
het bij het rechte eind hadden. Ze werden martelaren, zaad der kerk, ze gingen
zingend naar hun dood, we konden trots op ze zijn. Maar die katholieken deden
dat wél in naam van, en naar hun zeggen met zégen van een en dezelfde God!
Het werd er in latere jaren niet beter op,
niemand leert ooit iets van de geschiedenis. Ook nu slacht men elkaar in naam
van de godsdienst af, protestanten net zo goed.
Rassen en etnische groepen tegen elkaar,
haat en nijd, alweer oorlog. Jij bent zwart en ik ben blank, jij bent joods en
ik ben caucasisch, jij bent Duits en ik ben Nederlands. En het lachwekkendste:
jij bent van gemengd bloed en ik ben raszuiver – raszuiver, na al die eeuwen
van vermenging?
Hoe minder je elkaar kent, hoe banger je
voor elkaar bent, hoe meer je elkaar haat.
Uiterlijkheden, die zogenaamde
toevalligheden van geboorte, de plaats waar je ter wereld bent gekomen, uit wat
voor soort ouders, in welk punt in de geschiedenis, bepalen dié dan of je
uiteindelijk naar de hemel gaat?
Zwarte ouders in donker Afrika, geen weet
van het geloof, wég naar de hel.
Moslem ouders, vijanden van het christendom (waarom eigenlijk?), geen hemel
voor jou. Maar goede christenen gaan dan evangeliseren, uitdragen, iedereen van
hun geloof vertellen, om al die onwetende mensen te redden van de hel. Dat
hebben ze door de eeuwen heen gedaan, met de apostel Paulus voorop.
Ze hebben voor die arme verloren zielen een
weg geplaveid met leerregels, regelrecht naar de hemel toe. Als je als vrouw je
mond maar houdt, zoals Paulus aan de Corinthiërs voorhield, en je man
onderdanig bent, zoals Petrus zegt, en als slaaf (!) gehoorzaam bent aan je
meester, zelfs als het een slechte, wrede meester is, dan kom je al een heel
eind.
Als je dan als kind vindt, dat het niet
aardig is van God om sommige mensen als slaaf op de wereld te laten komen,
wordt je de mond gesnoerd, wat achteraf wel begrijpelijk is, want hoe geef je
daar als calvinistische ouder een zinnig antwoord op?
En zo zit een kind al jong met het gevoel
dat de wereld onrechtvaardig geregeld is, dat een liefderijke God dat wel een
beetje sympathieker in had mogen pikken, in plaats van de mensen met zulke
verschillende kansen – en zo heel velen eigenlijk helemaal zónder – op de
wereld te zetten.
Tot je kennis maakt met andere
wereldreligies en je er achter komt dat niet iedereen in de wereld er zo over
denkt.
Toen ik voor het eerst in mijn leven het
woord reïncarnatie hoorde, las wat
het inhield en begreep dat er miljoenen mensen die leerstelling als vanzelfsprekend
aannemen, zelfs eeuwen voor er ooit sprake was van christendom, was het alsof
het ontbrekende stuk in de puzzel op zijn plaats viel.
Sir Lourens van der Post drukt dat zo uit:
‘I often
thought that one’s life is rather like the night sky: suddenly you would see a
star whose light had never been visible before, not because the star had not
been there, but because the light took so long to reach you.’
Wat mij aangaat verklaarde die leer alles
wat ik nooit begrepen had, het was als een soort geestelijk thuiskomen.
Het al of niet zelf herinneren van vorige
levens is daarbij niet belangrijk, het weten dat de ziel vele malen terugkomt
om zijn lessen te leren is genoeg. Ja, weten,
want ‘geloven is het zeker weten van de dingen die men niet ziet’.
Dit weten verandert je hele uitkijk op het
leven en alle aspecten daarvan.
Het maakt sterven betrekkelijk
onbelangrijk, niet meer dan het overschrijden van een drempel naar een andere kamer.
Het neemt je angst ervoor weg - hoewel niet voor het eventuele lijden dat eraan
vooraf zou kunnen gaan – maar niets van het verdriet en de woestijn van gemis
als je een geliefde verliest. Het bepaalt meteen ook je houding tegenover iets
zoals actieve euthanasie, want lijden, pijn, verdriet, al die dingen waarom een
mens uit het leven zou willen stappen, worden in het licht van levenslessen
gesteld. Reïncarnatie is geen makkelijke
uitweg.
Ook is het geen tweede kans, zoals velen
smalend zeggen, maar een opdracht om verder te leren, verhoudingen uit te
werken, dingen goed te maken die je verkeerd hebt gedaan. Zoals de wereld zich
ontwikkelt, met al die oorlogen en ‘moderne vooruitgang’, vervuiling en
overbevolking, vind ik het persoonlijk niet plezierig om te weten dat ik later
weer terug moet.
Dit weten spoort je wel aan om de wereld
die je gaat verlaten niet slechter achter te laten – en liefst beter – dan je
haar vond. Je verhoudingen met je medemens krijgen er een heel nieuwe dimensie
door. Het maakt ecologische en interpersoonlijke issues dus opeens een stuk belangrijker.
Om van rassenkwesties nog maar niet te
spreken, want het weten dat de ziel een vorige of een volgende keer gebruik kan
maken van een lichaam van een ander ras (het lichaam is immers maar een jas,
een tijdelijke behuizing, een gereedschap van de ziel), maakt van al die rassen
opeens een homogeen geheel: een variatie van lichamen, die juist door hun
variëteit de ziel oneindig veel mogelijkheden bieden tot het uitwerken van zijn
karma.
Mijn ervaring met Koos/Fagan (zie verhaal ‘Nakomertje’)
bepaalde me daar pas in alle details bij en had een enorme invloed op mijn
denken. Want je móet denken als mens, je moet conclusies blijven trekken: o,
maar als dit zó is, dan is dát toch zo! Het verlegt je horizon, het beïnvloedt
alle aspecten van je leven en vooral je houding tegenover de dood, die zijn
schrikbeeld als man met de zeis verliest en slechts de deur-naar-huis is
geworden: je wordt niet weggemaaid, je mag
al thuiskomen, omdat je je les geleerd hebt, je taak voor deze keer volbracht
hebt. Wat een troost is dat dan ook voor de achterblijvenden!
Het christendom draagt een zware schuld.
Door het officieel ontkennen van de reïncarnatieleer door de kerkvaders van de
zesde eeuw en het aannemen van het dogma ‘wij leven maar eens’, ontketenden zij
alle ‘apartheid’ van latere tijden, die van ras en huidskleur, van
nationaliteit, van stand en zelfs die van de seksen. Alle tolerantie die er zou
moeten zijn door het weten dat alle zielen
gelijk zijn, dat ras en omgeving eigen keuzes zijn, dat de ziel in elk leven
zijn vrije wil uitoefent en dat vorige levens daarbij bepalend zijn, viel weg.
De rassenkenmerken en de sociale
omstandigheden die een keuze zijn vóór de geboorte, werden volkomen toevallige
– voor velen onrechtvaardig lijkende - verdoemende of zaligmakende factoren
Plotseling stond niet meer de ziel, maar
zijn omhulsel centraal.
Het disproportionele belang van het comfort
van het lichaam, de nadruk op het onderhoud van het ‘huis’ – tot tempel
verheven - in plaats van de gezondheid van de bewoner, de ziel, en de
ziekelijke neiging om het verblijf in het huidige lichaam ten koste van alles
te proberen te rekken, zijn maar een paar van de gevolgen daarvan. Het verblijf
op déze wereld is alles geworden en het thuis van de ziel in zijn eigenlijke
dimensie wordt of ontkend of als onbekend en onzeker, en dus griezelig ervaren.
Iemand van een ander ras, iemand in
moeilijke omstandigheden wordt niet meer gezien als iemand die ik zelf in een
volgend leven zou kunnen zijn. We denken: ‘There,
but for the grace of God go I’, en dus kan mij dat tenminste lekker niet
gebeuren.
Dat de ziel zijn omgeving, zijn ouders,
sekse en omstandigheden doelbewust uitgekozen heeft vóór de geboorte in een
bepaald lichaam, en dat ik een volgende keer wel degelijk bij dat andere ras
zou kunnen - willen - horen, met alle eventuele nadelen van dien, wordt niet
meer tot de mogelijkheden gerekend.
Dat bepaalde ziekten en kwalen, zelfs
aangeboren gebreken, terug te voeren zijn naar gebeurtenissen in een vorig
leven, komt bij bijna niemand meer op en als je het noemt word je vreemd
aangekeken. Met zulke kwalen weten de dokters dus geen raad en de arme patiënt
wordt van het kastje naar de muur gestuurd.
De nadruk is komen te liggen op het leven
op aarde in een lichaam, in plaats van op het leven van de ziel hierna in zijn
eigenlijke omgeving, terug van zijn ballingschap. We roepen om het hardst hoe
vreselijk het in de wereld allemaal is, maar we treuren jaren lang om iemand
die eraan heeft mogen ontsnappen, vooral als dat op jonge leeftijd was. ‘Hij
had zijn hele leven nog voor zich!’ zeggen we, in plaats van blij voor hem te
zijn dat zijn leerschool, zijn ballingschap deze keer maar zo kort was.
De waarden zijn verschoven en met ons
perspectief permanent uit balans modderen we hier met ons allen maar wat aan.
‘Wij leven maar eens’, ‘wie dan leeft die
dan zorgt’, ‘na ons de zondvloed’, ‘het houdt onze tijd nog wel uit’, dat zijn
de kreten waar de moderne mens zijn pleziertjes mee najaagt, zijn verveling mee
probeert te verdrijven, zijn angst voor wat hierna komt van zich af probeert te
houden. Het gebed om ‘de volkomen verzoening van al onze zonden’ heeft
plaatsgemaakt voor dat om de volkomen bevrediging van al onze wensen.
De media wakkert die wensen aan, propt ons
vol met ontsnapping en ontslaat ons van de plicht om zelf nog te hoeven denken.
Al het materiële op deze wereld is zo
belangrijk geworden, dat we ons doodvechten voor de portie die we onszelf toe
vinden komen. We zijn de woorden van Jezus vergeten: wat baat het de mens als
hij de hele wereld wint, maar schade lijdt aan zijn ziel?
We hollen achter geld en goed aan, met voorbijzien
van tijd om na te denken en iets aan onze persoonlijke relaties te doen. De
schoolklas is belangrijker geworden dan de lessen die we kwamen leren en naar
huis willen we niet meer.
Ik weet niet waarom ik hier ben gekomen,
maar ik ben ervan overtuigd dat ik het voor
ik kwam heb geweten en mijn ouders en omgeving met dat doel voor ogen
zorgvuldig heb gekozen en dat de mensen om mij heen dat ook hebben gedaan.
De woorden van Fagan: ‘Het zou bij jullie te gemakkelijk voor me geweest zijn’, waren het
laatste puzzelstukje dat ik daar nog voor nodig had.
Die overtuiging verschuift je perspectief,
hij legt een verplichting op ten opzichte van gedrag en verhoudingen, en
plaatst de verantwoordelijkheid vierkant op je schouders. Hij geeft je ook oneindig
veel te denken.
Jacqueline Troost ©
Met dank aan
Jacqueline Troost voor haar bijdrage.
Ze schreef
ook het verhaal: Nakomertje
Marianne Notschaele-den Boer
RHA Publishing
Terug naar beginpagina van deze
website
Naar informatie boek
vorige levensverhalen
© RHA Publishing/Marianne Notschaele & Jacqueline
Troost, augustus 2008